Quickscan boezemrietland de Alde Feanen

 

It Fryske Gea heeft naar aanleiding van verontrustende berichten over de verruiging en verbossing van de rietlanden een startnotitie knelpunten rietlanden gemaakt.

{besps}ssBoezem{/besps}

Naar aanleiding hiervan zijn de boezemrietlanden  in De Alde Feanen bezocht en beoordeeld om de ernst van de problematiek vast te leggen. Deze inventarisatie, waarbij met name gekeken is naar de aard van de problematiek en naar mogelijkheden ter verbetering van het na te streven natuurdoel, kan als basis dienen voor een nader uit te werken plan van aanpak. De veldbezoeken en de adviezen beperken zich tot de jaarlijks gemaaide rietpercelen in eigendom en beheer van It Fryske Gea. De locaties met overjarige riet- en particuliere percelen, worden wel benoemd en zijn kort beschreven op basis van aanwezige veldkennis en beoordeling vanaf de boot.
Aan de hand van de veldbezoeken kan worden gesteld dat de meeste rietpercelen, in jaarlijks maaibeheer, een sterke of lokaal sterke verbossing vertonen. Vaak  is de Zwarte Els de hoofdhoutsoort en soms is het Zachte Berk en of Vuilboom en slechts in beperkte mate Grauwe Wilg. Ook is duidelijk zichtbaar dat met name in de laatste 5 jaar de rietsnijder eerder genegen is om delen met een sterke verbossing links te laten liggen en niet meer te maaien. Ook de oevers van de percelen , waar over het algemeen toch behoorlijk riet staat worden niet altijd meer gemaaid. Dit is een direct gevolg van het arbeidsintensieve karakter om dit oeverriet te maaien. Met behulp van aangepaste mechanisatie is dit wel te verhelpen. 
In het algemeen kan worden gesteld dat de rietpercelen die het langst in rietlandbeheer zijn momenteel het meeste verbossingsgevoelig zijn. Oude hooilandpercelen die de afgelopen 30 tot 40 jaar uit de hooilandproductie zijn genomen en inmiddels geheel of deels met riet zijn begroeid hebben momenteel het minst last van bosopslag.  Maar door de verbossing en verruiging in zijn algemeenheid neemt het oppervlak gemaaid rietland af en het areaal struweel en bos neemt toe. Deze wijziging wordt meestal niet ingegeven door een bewuste keuze maar is een gevolg van twijfelachtig beheer. Wel anders willen maar niet kunnen. Puur uit oogpunt van de natuur geredeneerd liggen de percelen er heel ‘mooi ‘ en zeer gevarieerd bij. Echter als de ontwikkeling zo doorgaat zal er de komende 10 jaar nog veel rietland verbossen.

Los van het feit dat de successie in zijn algemeenheid als oorzaak kan worden genoemd zijn er meer factoren die er toe hebben bijgedragen dat de verbossing is toegenomen. Verbossing op zich is niet nieuw, echter de mate waarin bepaalt de aard van het probleem. Factoren die in meer of mindere mate naast de successie hebben bijgedragen in de mate van verbossing zijn:

  • Wijziging boezempeilbeheer, een “star” zomer- en winterpeil en een slechtere waterkwaliteit, met als gevolg waterhuishoudkundige isolatie van de deelgebieden en een kleinere boezeminvloed en grotere regenwaterinvloed.
  • Wijzigingen in de rietsector, zoals import buitenlands riet(negatieve prijs beïnvloeding), gebruik machines (hoger maaien en achter blijven van ruigte in de percelen), pacht of riet op stam (minder zekerheid pachter/gebruiker), rietmaaien is steeds meer een neven inkomst, onderhoud, uitvoeren van nawerk in de rietpercelen (boompjes steken en oevers maaien), verschil per gebruiker en gebied m.b.t. subsidie mogelijkheden (programma beheer en subsidiemogelijkheden provincie Overijssel). Met name het verschil in gebruiksvorm en verschil in subsidie mogelijkheden beïnvloeden de inzet van de pachter of gebruiker negatief.
  • Wijzigingen in het natuurbeheer, systeembeheer, natuurontwikkeling, kortere beheer periode i.v.m. broedseizoen F&F wet, invloed boezemwater i.v.m. waterkwaliteit, grotere regenwaterinvloed, geen gebruik chemische bestrijdingsmiddelen en niet meer percelen of delen van percelen mogen branden.

 

 

 

 

Al deze factoren hebben er toe bijgedragen dat we nu in een situatie verkeren die voor het behoud van het open landschap,  het rietland, de bijbehorende soorten en de rietcultuur minder gewenst zijn. Om deze ontwikkeling  te kenteren zal er een scala van maatregelen moeten worden uitgevoerd om de verbossing, verruiging en de achteruitgang van de rietopbrengst te temperen. Voor de per deelgebied te maken plannen van aanpak kan er afhankelijk van de lokale situatie worden gekozen uit de volgende beheer- en inrichtingsmaatregelen.  De te nemen maatregelen kunnen zijn:

  • Doorgaan met riet maaien in een duurzamere verstandhouding met de pachter of gebruiker. Een gebruiksvorm met meer wederzijdse rechten en plichten, en daar waar mogelijk gezamenlijke benutting subsidies.
  • Inzet arbeid van It Fryske Gea. De beheerder zou er ook voor kunnen kiezen om zijn arbeid in de rietpercelen geheel te beperken tot ondersteunende activiteiten voor het behoud van de openheid. Dus rietpachter of gebruiker beperkt zich met name tot het oogsten van riet en de beheerder beperkt zich hoofdzakelijk tot de ondersteunende beheertaken. Op deze wijze kan beheerder meer eisen stellen aan de werkwijze en heeft meer tijd voor het nawerk. Voor wat betreft het (cyclisch) maaien van oevers kan de beheerder de rupsmaaier hiervoor aanpassen. Maaikop in verstek van de maaimachine.
  • Grenzend aan ‘grote’ waardevolle moerasbossen, mits botanisch verantwoord en passend in het beheer- en inrichtingsplan Nationaal Park en de Natura 2000 aanwijzing van de Alde Feanen, kiezen voor uitbreiding bosareaal , vrije ontwikkeling (successie).
  • Op botanisch waardevolle en geschikte delen en bij voorkeur grenzend aan landschappelijk belangrijke open delen kiezen voor uitbreiding zomer en herfst maaibeheer. Deze werkwijze kan het areaal hooiland in directe verbinding met de boezem vergroten. Tevens komen er op den duur meer ontwikkelingsmogelijkheden voor moerasheide.
  • Cyclisch maai- en kapbeheer. Om te voorkomen dat het streven tot behoud rietcultuur en bijbehorende soorten te ver wordt doorgevoerd kan men er ook bewust voor kiezen om percelen die niet sterk verbossings gevoelig zijn in een cyclisch maai en kapbeheer op te nemen. Deze beheervorm is ook te combineren met overjarig rietbeheer. Op deze wijze blijft er ook genoeg biotoop voor struweelsoorten als Blauwborst en Bosrietzanger.
  • Daar waar het beheer van de afgelopen jaren niet optimaal is geweest en achteraf ongewenste verbossing heeft veroorzaakt , verbossing verwijderen en weer geschikt maken voor hooiland , rietlandbeheer of cyclisch maai en kapbeheer.
  • Daar waar het beheer nog volgens ‘wens’ verloopt maar de ontwikkeling richting verbossing gaat,  rietland plaggen. De mogelijkheden  zullen uiteraard getoetst moeten worden aan de Flora- & Fauna-wet en de Natura-2000 status.
  • Bij alle hier boven genoemde opties nagaan of de interne waterhuishouding van de desbetreffende deelgebieden en percelen wel goed functioneren. De optimalisatie hiervan kan bijdragen tot het realiseren van hogere moeras natuurwaarden, meer riet  en kan ook een plus geven voor het boezemwatersysteem.

Alle deelgebieden dienen aan de hand van boven genoemde afwegingen en voorstellen beoordeeld te worden om vervolgens een plan van aanpak met inrichtingsschetsen te maken.