Pitrus Excursie

Always look at the bright side of life.


Pitrus excursie in de Alde Feanen 29-11-07. ( tevens slaapplaats van 117 Grote zilverreigers )

Is Pitrus een probleem ? of is het beheer een probleem met als gevolg een Pitrus probleem !!!!

Programma:

  • Samenkomst it Wiid
  • Inleiding bijdrage Nico Minnema Successie Natuurzaken
  • Op en aanmerkingen over de bijdrage van de vorige Pitrus bijeenkomst
  • Excursie langs een aantal gebieden van It Fryske Gea waar de afgelopen jaren is geëxperimenteerd om de Pitrus dominantie terug te dringen :
  • natuurontwikkelingsproject it Wikelslan
  • hooilandpolder de Bolderen
  • graslandpolder Fjirtich Med noord
  • hooilandpolder Jelle Kobus.


Pitrus groeit voortdurend, NEE !!!!!!! De meeste biomassa van de Pitrus word na juni /juli geproduceerd en dat gaat door tot november / december.

Onbemeste zomerpolder die in de winter onder water staan zijn na 5 jaar voor 75 % bedekt met Pitrus , NEE !!!!!!! Voorbeelden hiervan zijn er te over aan de Friese boezem. Hier in de Alde Feanen, polder Laban en de Wyldlannen.

Pitrus is giftig en word niet door vee gegeten, NEE, word wel door vee gegeten, met name de jonge scheuten. Heeft niet de voorkeur van het vee, maar bij kort weiden eten ze het wel . Schapen, geiten , pony’s kunnen zeker de hergroei kort houden. Bijvoeren van het vee in het belang van het vee is dan wel noodzakelijk.

De overgang van agrarisch beheer naar natuurbeheer is niet de oorzaak, JA/ NEE. Het is uiteraard niet de bestemming die de oorzaak is van de toename van de Pitrus maar het beheer in het veld. Dus vaak wel een link aanwezig maar niet de oorzaak.

MAATREGELEN EN EFFECTEN

Alvorens je dit kan bepalen moet de aard van het probleem is duidelijk zijn, maar ook het doel van het desbetreffende terrein. Bij hooiland en weidevogelbeheer zijn op grond van de conflicterende belangen ingrijpende maatregelen eerder geoorloofd dan bij moerasbeheer. Bij moerasbeheer is waterpeilbeheer in principe voldoende om de Pitrus ontwikkeling te sturen. Maar wat in principe overal in het natuurbeheer maatgevend moet zijn : het veld bepaald !!!!.Dus je spreekt met elkaar een aantal beheersmaatregelen af en afhankelijk van de situatie worden er stappen ondernomen. In een aantal gevallen kan men met een intensiever beheer volstaan, hier is dan niet de Pitrus het probleem maar het beheer. In andere gevallen zou de keus gemaakt kunnen worden om cyclisch pleksgewijs de Pitrus chemisch te bestrijden. In het laatste geval is registratie en monitoren van groot belang , omdat er ten aller tijde een afweging gemaakt moet worden of het rendement opweegt tegen de nadelen.

Maaien

Maaien kan een onderdeel zijn van de oplossing. En dan met name het winter maaien vanaf 1 november kan mee helpen om de ontwikkeling van de Pitrus, en daarmee de nadelige gevolgen hiervan aanmerkelijk te beperken. De meeste biomassa productie van de Pitrus vind plaats in de hergroei na de eerste snede. Bij extensief naweiden en of 2 x maaien is de hergroei van de Pitrus in de tweede of derde snee dus daning dat het de kwaliteit van het gewas van de eerste snede van het volgende jaar dusdanig negatief beïnvloed dat het voor verkoop of verpachting niet meer interessant is. Daarmee verdwijnt de basis van een duurzaam beheer en is het begin van de aftakeling. Bij de keus voor een beweidingbeheer in Pitrus gevoelige percelen ontkomt de beheerder er niet aan om dit te combineren met een maaibeheer , en dan bij voorkeur laat in het najaar of in de winter. Dit heeft voor grutto’s echter het nadeel dat de vegetatiestructuur van de percelen minimaal is en dus minder interessant als broedplaats voor de grutto. Dit nadeel kan echter worden beperkt door zeer selectief te maaien , dus allen daar waar Pitrus staat. Bij voorkeur maaien en afvoeren, maar soms is klepelen ook geen probleem. Insporing en structuurbederf zijn een risico , echter dit kan tegenwoordig vermeden worden door de inzet van de juiste machine’s

Begrazen

De negatieve effecten van Pitrus ontwikkeling tegen gaan met allen begrazing is volgens mij onmogelijk, maar als onderdeel van het geheel kan het een bijdrage leveren. En met name doormiddel van een intensieve naweide kan een deel van de hergroei weggevreten worden door het vee. Het effect is mede afhankelijk van hoe kort/ intensief de percelen begraast worden. Bij zeer kort naweiden is bijvoeren van het vee , in het belang van het vee noodzakelijk. In principe is alle vee inzetbaar, maar pony’s zijn het best bestand tegen een schrale weide , en hierbij is bij voeren het minst noodzakelijk. Praktisch gezien kan een beheerder waarschijnlijk nooit over die aantallen pony’s beschikken om zijn doel te bereiken, maar lokaal is het mogelijk. Vertrapping is en blijft een risico maar is ook weer sterk gerelateerd aan het soort vee en het onderhoud van de waterhuishouding.

Bekalken, bemesten en waterpeil verlagen

Bekalken, afhankelijk van de soort, heeft wel effect op de PH maar in verhouding minder effect op het terug dringen van de Pitrus ontwikkeling. In het belang van het bodemleven is een goede PH ook een vereiste dus als onderdeel van het totaal aan mogelijkheden goed te gebruiken. 

Het toe passen van een organische bemesting heeft volgens mij nog het duidelijkste rendement. Uit kleinschalige proeven met het handmatig verspreiden van de ruwe stalmest is gebleken dat de Pitrus in 1 a 2 seizoenen terug is te dringen tot een aanvaardbaar niveau. Praktisch gezien is handmatig verspreiden niet mogelijk, maar invloed van ruwe stalmest is goed. Daar waar vroeger elke boer op detail niveau zijn land bewerkte ( hij beheerde het niet hij bewerkte zijn land) , daar kreeg elke Distel , Riddezuring en Pitrus pol zijn aandacht in de zin van bestrijding. Tegenwoordig is ook het natuurbeheer grootschalig , en als gevolg daarvan kunnen bepaalde soorten zich mede daardoor goed ontwikkelen. Ook drijfmest en kunstmest kunnen er toe bijdragen om de Pitrus ontwikkeling te temperen. Zoals bij elke maatregel, bij te veel verdwijnt de Pitrus wel maar ook veel van de ander natuurwaarden en dus een negatief rendement.

Als onderdeel van de waterhuishouding kan een tijdelijke verlaging van het slootpeil bijdragen tot betere beheeromstandigheden en dus minder kans voor de Pitrus om zich te kunnen ontwikkelen. In dat verband kan een tijdelijk lager peil zinvol zijn en hoeft niet schadelijk te zij voor de verder ontwikkeling van de gras en hooilanden. In het verleden hanteerden de boeren ook geen strak zomer en winterpeil, en was men afhankelijk van de mogelijkheden en onmogelijkheden om het peil te beheren. Maar een ding stond vast: s winters een hoog peil en zomers een aanmerkelijk lager peil.

Bagger

Een laagje bagger is over het algemeen een ideale voedingsbodem voor Pitrus. Dit is weer heel anders als de bagger een onderdeel is van de hekelspecie als geheel. De mooiste weidevogelrijke gras en hooilanden zijn ontstaan in de tijd dat de boer slechts de beschikking had over minimale middelen om zijn land te bewerken en te bemesten. Dus alles werd benut om het land in “conditie “te houden, en dus ook hekelspecie. Krabbescheer is een goed voorbeeld en werd benut als bemesting van het land.

Afplaggen

Afplaggen kan een optie zijn als de waterhuishouding dit toelaat en het maaiveld niet te laag komt te liggen. Als men kiest voorplaggen kan dat zijn om de fosfaat rijke bovenlaag af te voeren in het belang van een botanisch interessantere ontwikkeling. Bij deze optie moet je al snel denken aan een plagdiepte tussen de 10 en 20 cm. Ook kun je plaggen met als doel Pitrus bestrijding. In dit geval moet er niet diep geplagd worden maar slecht geheel oppervlakkig. Er zijn genoeg voorbeelden bekend van als je een pitruspol diep weg maait dat deze slecht terug komt of geheel verdwijnt. Dus als je instaat bent te plaggen tot net onder de wortelhals van de plant dan heb je de vitaliteit van de plant behoorlijk aangetast en kan en moet de graslandzode zich opnieuw ontwikkelen. 

Afdekken met maaisel

Indien de Pitrus word afgedekt met maaisel dan verstikt de plant en zal deze afsterven. Vervolgens zal de zode opnieuw worden ingenomen door met name witbol en bij een intensief maaibeheer kan dit in de loop der jaren zich verder ontwikkelen tot een bloemrijk grasland met soorten als Pinksterbloem ,Boterbloem , Veldzuring en Witte klaver, maar je ontkomt er niet aan dat de Pitrus ook de kop weer op steekt. Dus ook bij deze maatregel is het bedekken bedoeld als bestrijding en het vervolgbeheer moet er voor zorgen dat de ontwikkeling niet weer terug valt in een Pitrus dominantie. Het laten afsterven van de Pitrus zou je bij wijze van spreken ook kunnen bereiken met zwart plastic .!!!!!!!!!!!! Ik weet het, geen gezicht , maar het gaat om het principe en om er achter te komen aan welke knoppen we kunnen of moeten draaien om de Pitrus beheerbaar te houden.

MCPA

Zeer effectief, maar in natuurterreinen ook zeer discutabel. Daarom alleen toepassen als andere methode’s niet haalbaar zijn, of als eenmalig inhaalslag. Deze werkwijze moet gepaard gaan met een optimale rapportage en monitoren om “misbruik” en negatieve beeldvorming te voorkomen. Tijdelijk zullen ook ander natuurwaarden van het gebied behoorlijk aangetast worden, echter bij goed beheer moet dit zich ook weer kunnen herstellen. Anderzijds , geen van de besproken optie’s heeft alleen een temperend effect op de Pitrus. Er zijn altijd soorten die tevens negatief beïnvloed worden, maar dat is bij elk beheer het geval.
In feite zijn we allemaal principieel tegen, maar soms kan het qua milieubelasting nog wel eens efficiënter zijn dan een jarenlange mechanische bestrijding.

Beïnvloeding bodemleven

Elke toe te passen werkwijze heeft zijn invloed op het bodemleven, negatief of positief . Bij het gebruik van verkeerde machines kan structuurbederf optreden , dit moet en kan worden voorkomen en mag tegenwoordig dus geen probleem meer zijn. Langdurige inundatie is schadelijk voor het bodemleven, tijdelijk of lokaal is geen probleem en zorgt voor gradiënt. Bij begrazing is ook sprake van bemesting dit is uiteraard gunstig voor het bodemleven, dit geld uiteraard ook voor bekalking en bemesting met organische mest. Inmiddels word er ook steeds meer gekeken naar de toepassing van CMC compost. Dit is een wijze van compostering van divers organisch materiaal waarbij de temperatuur, het zuurstofgehalte en de koolstof stikstof verhouding van de compost van groot belang zijn. Afgelopen seizoen zijn grote delen van de weidevogelpolder de Burd bemest met CMC compost. Meer info hier over bij Jitze Peanstra te Nes. Tevens zal volgend jaar in een nieuw in te richten zomerpolder op it Eilan west op verzoek van Jacqueiline Baar , bodemecoloog bij Arcadis en professor Olaf Schuiling geochemicus een proef worden gedaan met de stof Olivijn. Dit is een middel dat net als kalk de zuurgraad van bodems kan verbeteren. Deze stof bindt CO2 en is daarmee een klimaat vriendelijke stof. Zoals gezegd moet deze stof een positieve invloed hebben op de zuurgraad van de bodem, het bodemleven en dus ook op de bodemschimmels die een grote invloed hebben op de vegetatieontwikkeling. Plaggen zal in eerste instantie een negatieve invloed hebben op het bodemleven , maar kan indien er een goede populatie bodemleven aanwezig is snel herstellen. De toepassing van maaisel en hekelspecie heeft volgens mij geen negatieve invloed op het bodemleven. De effecten van MCPA op het bodemleven zijn mij onbekend , maar bij incidenteel gebruik waarschijnlijk niet groot.

CONCLUSIES


Pitrus is geen probleem , maar als gevolg van niet goed gevoerd beheer kan de ontwikkeling van Pitrus een probleem worden. Het gevoerde beheer is meer een gevolg van een tendens in het natuurbeheer, “alles “ inclusief het beheer moest natuurlijker . Sturen op hoofdlijnen, procesbeheer ipv detailbeheer, of natuurontwikkelingbeheer ipv natuurbehoudbeheer. Ik ben er van overtuigd dat beide een belangrijke invloed hebben op de toekomstige ontwikkeling van de Nederlandse natuur. Dus de ene methode is niet beter dan de andere methode, maar ze zijn wel totaal verschillend. Voor het behoud van onze waardevolle graslanden met zijn botanische en weidevogelwaarden moeten we toch meer sturen op basis van de natuurbehoudbeheer principe’s. Sturen op detail , waarnemen en actie ondernemen, je wilt soorten behouden en daar bij past een ontwikkeling in aantal , maar minder een ontwikkeling in soorten. 

De negatieve ontwikkeling van deze gras en hooilanden is nog eens versterkt doordat de agrariërs als gevolg de ontwikkeling in de landbouw meer belang hadden bij hectare’s dan bij gewas. De van nature aanwezige “drive “van een boer om zijn land goed te onderhouden werd hierdoor ook ondermijnd en mede bepalend voor de verslechtering van het beheer. Deze trend zal ook weer wijzigen als gevolg van het EEG landbouwbeleid en de behoeft van ruwe celstof voor de productie van biodiesel. Om vervolgens dan ook weer optimaal gebruik te kunnen maken van de beheer “drive “van de boeren moeten de natuurbeheersorganisaties er voor zorgen dat de uitgangssituatie van de te verpachten percelen goed is. De pachter moet eigenlijk alleen worden ingeschakeld voor het maaien en afvoeren van het gewas, voor het weiden, het beschikbaar stellen van vee en de levering van de organische mest. Alle andere werkzaamheden kunnen waarschijnlijk beter collectief door de natuurbeschermingsorganisatie zelf uitgevoerd of uit besteed worden. Hoe je het ook wend of keert , in veel gevallen is de samenwerking met boeren de basis voor duurzaam gras en hooilandbeheer, en die relatie moet weer “opgepimpt” worden. Essentieel hierin is dat er veel contact moet zijn tussen de beheerder en het veld ( zowel de percelen als de vrijwillige inventarisatiemedewerkers ) en de beheerder en de pachter. De beheerder behoort te weten hoe zijn veld er bij ligt, en dat is momenteel niet altijd meer het geval. Dit kan en moet verbeterd worden evt dmv externe coaching, in het belang van de natuurwaarden in het veld. De prioriteiten van de beheerder worden momenteel te veel bepaald door externe geluiden, en het geluid van het veld is niet sterk genoeg.

Ook moet er iets worden ondernomen om de regelgeving die van toepassing is op het gras en hooilandbeheer word verruimd. Met name de uitrij periode van ruwe stalmest zou verruimd moeten worden en de beheervoorschriften van programmabeheer van met name halfnatuurlijkgrasland mbt het maximale aantal GVE’s zou versoepeld moeten worden om de Pitrus te beheren. Dit is met name van belang om buiten het broedseizoen dmv tijdelijke drukbegrazing een goed beheer te kunnen voeren. Ook zou bij gebrek aan ruwe stalmest drijfmest een optie moeten zijn. In het verleden had de boer meer “instrumenten” om de pitrus in toom te houden. Hij kon “alles”doen wat hij goed achtte in het belang van de bestrijding van plaagsoorten. Dit is een lange tijd goed gegaan in combinatie met hoge natuurwaarden, tot dat de invloed van de kunstmest, bestrijdingsmiddelen en cultuurtechnische ingrepen de overhand kregen.

RESUMEREND

  • Pitrus niet per definitie een probleem ( doel )
  • Beheerder moet meer het veld in en het veld is sturend ( detail)
  • Coaching beheerder van buiten eigen werkkring ( vraagbaak, spiegel)
  • Kijk in het verleden en behoud het goede ( historie)
  • Maaien, weiden, bekalken, bemalen, bemesten, bestrijden, afdekken en plaggen, deels of in combinatie. ( creatief)
  • Pachtercontacten optimaal benutten, optimalisatie pachtcontact en elkaar stimuleren ( win win )
  • Opzet van kleinschalige proefvlakken met goede monitoring ( meten is weten )
  • Alles wat je in 10 jaar bereikt kun je in 1 a 2 jaar weer verspelen ( herstel kost tijd )